Over alleen zijn
Lieve zelf,
ook al had ik me voorgenomen het niet te doen, zojuist heb ik toch de laatste stroopwafel opgegeten in de hoop dat het zou helpen. Soms komt het op, zonder dat ik er grip op heb, een gevoel van ongeborgenheid, kilte. Misschien heeft het met het sombere weer te maken – voor een augustusdag veel te nat en grijs naar mijn zin – dat ik me alleen voel, hardnekkig, onwrikbaar alleen.
Even naar de supermarkt lopen om yoghurt te halen, dat zou me goed doen bedacht ik in de loop van de avond. Lekker naar buiten, frisse lucht inademen, bewegen. Tijdens het wandelingetje langs het water kwam ik je tegen. Precies dit maakt me zo mismoedig: met jou moet ik het doen. Niemand anders kan mij de geborgenheid geven die ik zoek. Niemand is zo dichtbij als jij. Pa en ma zijn het niet meer, mijn liefste vrienden zijn het ook niet. Niet degene waar ik onbedoeld zo hard naar op zoek ben, hij die mij weg kan laten kruipen, die mij in zijn armen vasthoudt, open staat voor mijn sprongen in het duister. Die mij liefheeft zoals ik hem liefheb. Hij in de vorm van Hij is er niet. Bestaat niet. Mooie mensen, al dan niet mijn verlangens weerspiegelend, die bestaan wel. Ik voel me alleen en mis Hij die er niet is.
Wat moet ik nou met jou. Jij blijkt Hij te zijn. Jij bent het die er al was toen ik als baby in de couveuse lag, bij de peuter die de krant aandachtig bekeek. Jij was het die op het Murmellius rondbanjerde in groene broek en WSVA-trui, die uren op een badmintonbaan doorbracht. De UvH heb jij zo nabij meegemaakt als maar kan. En zo ook de rest van mijn 27-jarige leven.
Al die mensen die ik heb ontmoet, de mensen die ik als naasten zie, ze zijn nabij, soms zeer nabij, maar kunnen dat lang niet zijn zoals jij. Zelfs de Belangrijke Anderen zijn dat niet, gaan het niet worden, hoe verbonden ik me ook weet.
Met jou moet ik het doen. Nu, terwijl de regen in de dakgoot klettert, morgen in de spitstrein naar Amsterdam, volgend jaar dezelfde tijd. Misschien dat ik weet wat ik met je moet. Je koesteren. Je liefhebben zoals je mij liefhebt, tot in mijn laatste ogenblik. Het klinkt pathetisch. Maar tot en met dat moment zal jij nabij zijn.
Recept tegen impotentie
Kiezen tussen leverworst en pindakaas. Of toch liever bruine suiker. Dierenverzorger wil ik worden, directeur van een natuurmuseum, schrijver, fotograaf, trainer en waarzegger, al is profbadmintonner zijn waarschijnlijk het allerleukst.
Mogelijkheden. Ze zijn er altijd, overal, eindeloos. Dat is erger dan u denkt. Zo veel mogelijkheden als er buiten u rondwaren, zo veel zijn er ook nog eens innerlijk. Eén brok mogelijkheid, dat bent u. We kunnen alles denken, alles voelen, alles vinden, roepen, ontwikkelen, worden. Voor mij is er zo eindeloos veel mogelijk, dat ik er soms last van heb. Velen schijnen er naarstig naar op zoek te zijn, maar als je het mij vraagt: te veel potentie is heus niet alles.
Het bezorgt me regelmatig een knagend gevoel van tijdsdruk en ik zal zeggen hoe dat komt. Hetgeen alle mogelijkheden in zich heeft, het universum, speelt vals. Met behulp van mijn moeder wierp ze mij de wereld in, gaf me verstand mee, om dat vervolgens in te prenten dat ik binnen afzienbare tijd weer verdwijn. ‘Alsjeblieft, hier is je leven. Je hersens zijn je gegeven om keuzes te maken, briljante gedachten te produceren en vooral om je te realiseren dat je zo goed als meteen weer dood gaat. Verder mag je het lekker uitzoeken, in het besef van zinloosheid, tenzij jij je zin zelf in elkaar knutselt gedurende die paar jaar dat je leeft. Geluk ermee.’ En dan zelf doodgemoedereerd voortbestaan, alsof er niets aan de hand is als ik de pijp uit ben.
Zie maar eens oneindig veel mogelijkheden in een paar jaar te proppen. Mij lukt het niet. Maar goed. Heeft het universum mij dat soms ook ingeprent, dat het nodig is om alle mogelijkheden daadwerkelijk te leven? Dat ik het gewenste geluk vind door dierenverzorger, directeur, schrijver, fotograaf, trainer, waarzegger, badmintonner en de rest te worden? Al probeer ik toch stiekem in mijn knutselwerkje een deel van het rijtje te verwezenlijken, het antwoord is nee.
Naar aanleiding van Pinksteren schreef publicist Jan Oegema afgelopen zaterdag in Trouw een prachtig artikel over de Heilige Geest. Hij vat haar op als ‘open geest’, als entiteit die staat voor veranderlijkheid, openheid en zachtheid, een kracht die onze zekerheden voortdurend ontwricht: ‘Ze wil dat we wendbaar blijven en begrijpen dat we voor niets zo bang zijn als voor de onbepaaldheid van ons oorspronkelijke wezen, waarin we leegte zijn, dat wil zeggen: mogelijkheid, een hij en een zij tegelijk, naamloos en vrij.’
Dat is wat het universum mij inprent. Ik wil wendbaar blijven, want ik ben mogelijkheid, naamloos en vrij. En al ben ik er intens bang voor, ten diepste verlang ik naar haar.