Ilse Vooren

Fotografie & Zingeving

11Apr/100

We noemen het welvaart

Slechts vijftig minuten duurde het, een reportage over vier Chinezen, uit alle windstreken van hun land, die hun recht op schone lucht, normaal drinkwater of vruchtbare aarde bevechten. Vier mensen die ieder op een eigen manier leven, maar alle vier in slechte condities, vervuiling en armoede. Ze zijn gewend aan hun dagelijks bestaan. Aan het inademen van gifdampen bij noordoostenwind, aan vis die naar benzine smaakt, aan het besproeien van een gortdroge akker in binnen-Mongolie. Vier mensen die verbeten blijven vechten voor hun leefomgeving, ook als hun pogingen bar weinig uithalen. Als individuen dapper en betrokken, doch weinig opgewassen tegen het immense, intimiderende overheidsapparaat. Gifdampen, benzinevis en verloren oogst blijven aan de orde van de dag.

Daar zit ik dan, op de bank, te kijken naar een kastje waar ver-van-mijn-warme-bed-ellende te zien is. Als het me niet aan staat, druk ik op een knopje en verdwijnt de ellende net zo makkelijk. Dan heb ik mijn tv-uurtje weer gehad. Ik schaam me voor onze doorgedraaide welvaart.

Wat is dit voor wereld, waarin wij met z’n allen schijnen te leven? Wat betekent het dat in Netwerk infobesitas in Nederland het belangrijkste onderwerp is? Hoe kan het dat de gemiddelde Nederlander zich druk maakt over of aan het einde van de maand nog wel een I-phone gekocht kan worden zonder dat de vakantie naar Cambodja daar onder te leiden heeft? Zich zorgen moet maken om zijn digitale identiteit, die via de raarste kanalen bestaat en, op het dwangmatige af, om de paar minuten bijgewerkt moet worden?

Dat tegelijkertijd die vier Chinezen, waar er in de realiteit miljoenen van bestaan, leven, werken, ademen, iedere dag weer - om nog te zwijgen van de Gambianen, Russen, Bolivianen, Koreanen, Mexicanen, Vietnamezen - zich dagelijks bezighouden met of ze kunnen ademen, wat nota bene afhangt van de windrichting, of met het bij elkaar rapen van een maaltijd, met het zoeken naar een stukje stof waar mogelijk warmte aan te ontlenen valt?

Tagged as: , No Comments
22Nov/090

Ik denk niet meer, dus ik ben niet meer?

Een kamer vol wezenloze oude mensen, zonder vreugde in het bestaan, bijna zonder bewustzijn, schimmen van vroeger: het is geen aantrekkelijk vooruitzicht om daar de laatste levensdagen te slijten.”

Heleen Dupuis, ethica en ex-voorzitter van de Nederlandse Vereniging Voor Euthanasie, ziet het niet zitten om later in een verpleegtehuis terecht te komen als ze eenmaal oud en aan het einde van haar leven is.

Wie ziet dat wel zitten? Dat is ook de vraag die in het verlengde ligt van het betoog van Trouw-hoofdredacteur Gerbert van Loenen, vandaag in diezelfde krant. Hij stelt dat we moeilijk voor een ander kunnen bepalen wat voor diegene nog menswaardig is en de moeite waard om te leven. Het deze week verschenen boek “Hij had beter dood kunnen zijn. Oordelen over andermans leven” schreef hij op basis van persoonlijke ervaring; zijn partner viel een hersenaandoening ten deel en leefde tien jaar in zeer moeilijke omstandigheden alvorens hij stierf aan een hersentumor.

Volgens Van Loenen geeft Dupuis in 1994 de volgende opvatting: "Het leven van een persoon ontleent zijn waarde boven alles aan het feit dat de individuele drager van dat leven zich van die waarde bewust is. Het verbod om te doden of te laten sterven (in medische context) betreft dan ook allereerst dat leven, dat door de persoon zelf op prijs wordt gesteld." Van Loenen haalt onder meer de opvattingen van Dupuis aan om te laten zien hoe gevaarlijk het is om op basis van het eigen mensbeeld over het leven en sterven van een ander te oordelen. Wie mens- en levenswaardigheid ophangt aan zelfstandig en volbewust leven, denken en handelen, sluit al snel mensen buiten die niet voldoen aan dit ideale mensbeeld. “Zo kunnen een idealistisch mensbeeld, goede zorg en een mensenbedreigende praktijk samengaan”, besluit Van Loenen.

Hij wijst terecht op de gevolgen van de eigen levensbeschouwing op het denken over de ander. Gezien de uitspraak van Dupuis ziet ze een verpleegtehuis voor zich als een oord waar mensen geen mensen meer zijn, waar je, als je er eenmaal in bent beland, de rest van je ademtocht wezenloos verdoet. Waar je je niet bewust meer bent van de waarde van je leven.

Ik vraag me af of Dupuis beseft wat het betekent om ademende, ervarende mensen wezenloosheid toe te schrijven, zonder vreugde in het bestaan; een vorm van projectie? Het lijkt me zinvol om mevrouw Dupuis een dagje mee te laten lopen met een geestelijk verzorger. Laat haar participeren in een viering of bijeenkomst. Ze zal ervaren dat de zogenaamde levenlozen bij het horen van muziek, het onderlinge contact of andere ontmoetingsvormen duidelijke en ontroerende tekens van vreugde, van leven en van waardigheid geven.

In de denkbeelden van Dupuis, alsook in het betoog van Van Loenen wordt eens temeer duidelijk hoezeer de ratio waar we allemaal mee opgescheept zitten, ijkpunt is voor het oordeel over menselijkheid. Bewuste keuzes maken, zelfstandig en actief het leven vorm geven, uit eigen wil handelen; het is kenmerkend voor de mens. Zijn we dan geen mensen meer als deze functies, die we zo’n dominante plaats hebben toebedacht, een bescheidener plek in het leven innemen? Is Descartes zo gek nog niet geweest; ik denk niet meer, dus ik ben niet meer?

Het lijkt me een doodlopende weg om met behulp van hoogstaande denkbeelden te bepalen wat menswaardig is en wat niet, om vaste patronen te willen ontdekken in wanneer iemand nog meetelt en wanneer we iemand kunnen afschrijven. Ratio immers weer troef. Laat liever de arts, de ethicus en de filosoof vaker stil staan bij het gegeven dat we als mens ook lijden, onmachtig zijn, tekort schieten, imperfect zijn. Dat we niet alleen in een verpleegtehuis eindigen, maar ook ongeneeslijk ziek zijn, de weg kwijt raken, met lichamelijke en geestelijke beperkingen op de wereld komen, aangereden worden, blijvend invalide raken. Wie voelt werkelijk in dat een dergelijk lot niet alleen de ander betreft, maar ook zichzelf kan treffen, aan het einde van het leven, volgend jaar of vandaag nog?

Ik sluit me aan bij Van Loenen; pas op voor hooggestemde idealen. Ze kunnen hopeloos achterblijven bij de weerbarstigheid van het menselijk leven. Iedereen, dus ook mevrouw Dupuis, zal daarmee moeten leven.

Tagged as: , No Comments