Ilse Vooren

Fotografie & Zingeving

10Nov/100

Zondagmiddag in november

Met een dik pak geraapte bladeren in mijn hand wandel ik het park uit, tot aan de weg, wacht tot de verkeersstroom tot stilstand komt die mij nog van mijn huis scheidt. Een man passeert. Hij kijkt naar de bladeren, vervolgens naar mijn gezicht, onderzoekend. Ik vul zijn frons in: wat moet zij in vredesnaam met een stapel bladeren. Of: God ja, blaadjes rapen in de herfst, schattig. Ik steek over, ga mijn huis binnen en zoek met mijn jas nog aan naar de bloemenpers. Er blijken nog bladeren in te zitten. Van vorig jaar? Van vijf jaar geleden? Ongetwijfeld zijn het overblijfselen van eenzelfde soort geluksmoment, maar ik kan me niets voor de geest halen. Ze zijn hun kleur grotendeels kwijtgeraakt maar hebben de jaren altijd nog beter doorstaan dan mijn herinneringen.

De bloemenpers is veel te klein voor de Amerikaanse eikenbladeren. De kleintjes besluit ik te drogen – wie weet herinner ik me deze middag in een volgende november – de grote spreid ik uit over mijn koffietafel. Morgen zullen ze omgekruld zijn, nu zijn ze fris en mooi. Pijnlijk fris en mooi.

Een heerlijke novembermiddag: na het hardlopen tot stilstand komen, naar de grond kijken en bladeren gaan rapen, grote, gele, groene met een zwart randje, welke ik ook maar mooi vind, ineens de schoonheid zien in het kleine. Het raakt me, ik geniet ervan. Alleen.

Dit is een moment dat ik met je zou willen delen. We zouden niets bijzonders doen, juist niet, het zou niet meer zijn dan een wandelingetje door het park. Sloffen door het tapijt van bladeren, de kruidige geur opsnuiven die dat veroorzaakt, handen in de zakken, sjaal opnieuw omslaan omdat het ondanks de middagzon toch wel fris is.

Ik kan me niet heugen dat ik het eerder heb gedacht, dat ik je mis. Al weet ik niet welk bereik mijn verlangen heeft. Ik mis de ander, ik voel me alleen en wil mijn geluk, het feit dat ik hier in dit Haarlemmer bosje rondwandel en het gevoel dat ik leef delen, het herfstlicht delen, het gekraai van de vogels, de kleuren en vormen. Waarschijnlijk zou dat zonder woorden zijn, gewoon, in elkaars aanwezigheid.

Wat zijn mijn momenten van geluk waard als ze ongedeeld blijven? Een lastige vraag in een leven dat ik in de alledaagsheid veelal alleen beleef. Een leven waarin ik me op aardig wat momenten gelukkig voel, vervuld. Maar deze middag blijkt mijn ervaring betekenisvoller als iemand anders er weet van heeft. Alsof ik dan net iets minder snel vervlieg, mijn wereld er wat meer toe doet, om de simpele reden dat de ander mij gewaar is.

De ander had niet iemand anders kunnen zijn. Je zou me zien met een dik pak bladeren in mijn hand, je zou niet onderzoekend kijken, je zou glimlachen. Deze zondagmiddag in november was de ander jij.

25Aug/100

Over alleen zijn

Lieve zelf,

ook al had ik me voorgenomen het niet te doen, zojuist heb ik toch de laatste stroopwafel opgegeten in de hoop dat het zou helpen. Soms komt het op, zonder dat ik er grip op heb, een gevoel van ongeborgenheid, kilte. Misschien heeft het met het sombere weer te maken – voor een augustusdag veel te nat en grijs naar mijn zin – dat ik me alleen voel, hardnekkig, onwrikbaar alleen.

Even naar de supermarkt lopen om yoghurt te halen, dat zou me goed doen bedacht ik in de loop van de avond. Lekker naar buiten, frisse lucht inademen, bewegen. Tijdens het wandelingetje langs het water kwam ik je tegen. Precies dit maakt me zo mismoedig: met jou moet ik het doen. Niemand anders kan mij de geborgenheid geven die ik zoek. Niemand is zo dichtbij als jij. Pa en ma zijn het niet meer, mijn liefste vrienden zijn het ook niet. Niet degene waar ik onbedoeld zo hard naar op zoek ben, hij die mij weg kan laten kruipen, die mij in zijn armen vasthoudt, open staat voor mijn sprongen in het duister. Die mij liefheeft zoals ik hem liefheb. Hij in de vorm van Hij is er niet. Bestaat niet. Mooie mensen, al dan niet mijn verlangens weerspiegelend, die bestaan wel. Ik voel me alleen en mis Hij die er niet is.

Wat moet ik nou met jou. Jij blijkt Hij te zijn. Jij bent het die er al was toen ik als baby in de couveuse lag, bij de peuter die de krant aandachtig bekeek. Jij was het die op het Murmellius rondbanjerde in groene broek en WSVA-trui, die uren op een badmintonbaan doorbracht. De UvH heb jij zo nabij meegemaakt als maar kan. En zo ook de rest van mijn 27-jarige leven.

Al die mensen die ik heb ontmoet, de mensen die ik als naasten zie, ze zijn nabij, soms zeer nabij, maar kunnen dat lang niet zijn zoals jij. Zelfs de Belangrijke Anderen zijn dat niet, gaan het niet worden, hoe verbonden ik me ook weet.

Met jou moet ik het doen. Nu, terwijl de regen in de dakgoot klettert, morgen in de spitstrein naar Amsterdam, volgend jaar dezelfde tijd. Misschien dat ik weet wat ik met je moet. Je koesteren. Je liefhebben zoals je mij liefhebt, tot in mijn laatste ogenblik. Het klinkt pathetisch. Maar tot en met dat moment zal jij nabij zijn.