Ilse Vooren

Fotografie & Zingeving

27Mar/110

Bekentenis

Laat ik met de deur in huis vallen: deze tekst is gewijd aan de liefde die ik voor je voel. Je kunt er open voor staan, het aan je voorbij laten gaan. Dat is aan jou. Het liefst ben je ontvankelijk maar hoe dan ook wil ik het hier en nu bekennen.

Ik voel liefde voor je. En mocht je twijfelen aan of het daadwerkelijk jou betreft: reken maar. Lang genoeg heb ik mezelf tegengehouden, zachtheid achter kracht verborgen, mijn ogen afgewend uit angst dat het verkeerd zou uitpakken.

Al weet ik niet precies de vorm, ik pak het uit. Je mag het aannemen, als een cadeau, zonder iets terug te hoeven geven, zonder iets te moeten doen. Zelfs een dank je wel is niet nodig.

Het is zo eenvoudig. Ik wil het je gewoon geven. Omdat ik meer dan genoeg voel. Het stroomt, als een rivier die soms rustig, dan weer bruisend buiten haar oevers treedt en ongevraagd het land bevloeit. Als mijn stroom te veel voor je is, dan zeg je ho – vanaf nu is ‘ho’ mijn taak niet meer. Ik wens mezelf niet in te dammen.

Je bent niet de enige. Dat zal je ook niet worden; liefde heeft geen naam. En het vormt een zeker risico, maar ik beken gewoon maar openlijk. Ik voel liefde voor je.

10Nov/100

Berichtje aan de dood 2

Beste dood,

Het is alweer een jaar geleden dat ik je een bericht stuurde. Mocht je me gevolgd hebben dan weet je dat ik een andere baan heb, dat het bevalt aan de academie en dat ik van alles beleef. Die dingen houden me nogal bezig, maar ondertussen ben je nooit helemaal uit mijn aandacht verdwenen.

Je hebt niet geantwoord. Dat had ik trouwens ook niet verwacht en het hoeft ook niet, ik wil je alleen laten weten dat ik je niet ben vergeten. Nu durf ik niet goed te zeggen waarom je steeds in mijn aandacht terugkeert, want misschien brengt het je op rare ideeën. Maar goed.

Weet je, ik vraag me af wie jij bent. Ik zou je best beter willen leren kennen. Iedereen kent je naam en je verschijning, maar niemand lijkt te weten wat er achter jouw masker schuilt. Ik weet zeker dat er achter je naam een hele wereld verborgen ligt, net zoals achter de naam God, Rijksmuseum of die van mijn nichtje. Is er ooit iemand geweest die jou werkelijk heeft gezien?

En dan nog iets. Dat vind ik nog enger om te zeggen, maar ik vertrouw erop dat je mij in mijn waarde laat. Op sommige momenten, zoals nu, lijkt het me best fijn om in jouw wereld te zijn. Jij bent zo anders dan de meeste anderen. Ik ken je niet goed maar jouw wereld lijkt oneindig groot, zonder grenzen, een wereld waarin je rond kan vliegen dat het een lieve lust is, in alle vrijheid en samen met alles. En dat terwijl de wereld van mij en de meeste anderen zo beperkt is, ook al zijn we nog zo openhartig of ruimdenkend. We blijven gevangen in ons lichaam, in ons hoofd, in de aardse beslommeringen. Tenminste, ik wel, ik heb daar regelmatig last van.

Ik voel me nu en dan gevangene in mijn eigen leven. Alsof ik opgesloten zit in een ruimte, een ruimte die niet eens onprettig is, alleen ze heeft haar grenzen. Kijk ik door het raam dan zie ik het universum, licht en eindeloos uitgestrekt, ik zou daar wel heen willen - dat kan dus niet. De ervaring in een beperkte ruimte te zitten, niet eindeloos licht te kunnen rondzweven maakt me eerlijk gezegd verdrietig.

Daar lijk jij geen last van te hebben, dat je je opgesloten voelt, afgesneden. Ik zou er wel eens met je over willen praten, maar het is nogal ingewikkeld allemaal. In ieder geval heb ik het aan je verteld, dat vind ik al heel wat.

Misschien tot een volgende keer, Ilse

10Nov/100

Zondagmiddag in november

Met een dik pak geraapte bladeren in mijn hand wandel ik het park uit, tot aan de weg, wacht tot de verkeersstroom tot stilstand komt die mij nog van mijn huis scheidt. Een man passeert. Hij kijkt naar de bladeren, vervolgens naar mijn gezicht, onderzoekend. Ik vul zijn frons in: wat moet zij in vredesnaam met een stapel bladeren. Of: God ja, blaadjes rapen in de herfst, schattig. Ik steek over, ga mijn huis binnen en zoek met mijn jas nog aan naar de bloemenpers. Er blijken nog bladeren in te zitten. Van vorig jaar? Van vijf jaar geleden? Ongetwijfeld zijn het overblijfselen van eenzelfde soort geluksmoment, maar ik kan me niets voor de geest halen. Ze zijn hun kleur grotendeels kwijtgeraakt maar hebben de jaren altijd nog beter doorstaan dan mijn herinneringen.

De bloemenpers is veel te klein voor de Amerikaanse eikenbladeren. De kleintjes besluit ik te drogen – wie weet herinner ik me deze middag in een volgende november – de grote spreid ik uit over mijn koffietafel. Morgen zullen ze omgekruld zijn, nu zijn ze fris en mooi. Pijnlijk fris en mooi.

Een heerlijke novembermiddag: na het hardlopen tot stilstand komen, naar de grond kijken en bladeren gaan rapen, grote, gele, groene met een zwart randje, welke ik ook maar mooi vind, ineens de schoonheid zien in het kleine. Het raakt me, ik geniet ervan. Alleen.

Dit is een moment dat ik met je zou willen delen. We zouden niets bijzonders doen, juist niet, het zou niet meer zijn dan een wandelingetje door het park. Sloffen door het tapijt van bladeren, de kruidige geur opsnuiven die dat veroorzaakt, handen in de zakken, sjaal opnieuw omslaan omdat het ondanks de middagzon toch wel fris is.

Ik kan me niet heugen dat ik het eerder heb gedacht, dat ik je mis. Al weet ik niet welk bereik mijn verlangen heeft. Ik mis de ander, ik voel me alleen en wil mijn geluk, het feit dat ik hier in dit Haarlemmer bosje rondwandel en het gevoel dat ik leef delen, het herfstlicht delen, het gekraai van de vogels, de kleuren en vormen. Waarschijnlijk zou dat zonder woorden zijn, gewoon, in elkaars aanwezigheid.

Wat zijn mijn momenten van geluk waard als ze ongedeeld blijven? Een lastige vraag in een leven dat ik in de alledaagsheid veelal alleen beleef. Een leven waarin ik me op aardig wat momenten gelukkig voel, vervuld. Maar deze middag blijkt mijn ervaring betekenisvoller als iemand anders er weet van heeft. Alsof ik dan net iets minder snel vervlieg, mijn wereld er wat meer toe doet, om de simpele reden dat de ander mij gewaar is.

De ander had niet iemand anders kunnen zijn. Je zou me zien met een dik pak bladeren in mijn hand, je zou niet onderzoekend kijken, je zou glimlachen. Deze zondagmiddag in november was de ander jij.