Ilse Vooren Fotografie, tekst & zingeving

5Sep/100

Servetjes helpen niet

Net nu ik zo’n beetje het bestelde broodje honing-geitenkaas verwacht hoor ik het luidkeels schreeuwen van een jongetje. Ik kijk naar links en zie hoe een vrouw op hem afrent en naar zijn voorhoofd grijpt, vervolgens haastig van het speelveldje naar de ingang van het terras strompelt, de jongen ondertussen onhandig bij zijn hoofd vasthoudend. “Bel de ambulance, het ziet er ernstig uit”, roept ze verwilderd. Mensen kijken op, de man aan de tafel achter mij loopt hen direct achterna, naar binnen, telefoon in de hand. Intuïtief grijp ik ook mijn telefoon en ga het museumcafé binnen, met kloppend hart en het besef dat ik waardevolle spullen op het terras achterlaat.

Mama is gaan zitten, trekt haar zoon op schoot en drukt een theedoek stevig tegen zijn gezicht. “Het stopt niet met bloeden, ik weet niet of het ernstig is maar het puilt eruit.” Ze is aardig in paniek. Het gehuil van het blonde jongetje van een jaar of vijf wordt gesmoord door de theedoek voor zijn gezicht. Ik hurk naast hem neer en duw het ding voorzichtig voor zijn neus weg. “Kan je nog een beetje ademhalen?” Om te laten merken van wel snuift hij nadrukkelijk. De twee meisjes van de bediening drentelen eromheen. Of hij een ijsje wil? Ja, dat wil hij wel.

Nog steeds gehurkt zit ik naast mama en zoon. Ik wil behulpzaam zijn maar voel me vooral onthand. Ik heb niet de moed om verband om zijn hoofd te leggen, ik weet niet wat voor wond het is, laat staan wat er aan gedaan moet worden. In een poging toch wat nuttigs te doen vraag ik servetjes aan de serveerster zodat ik het gezicht van het jongetje schoon kan maken, die ze zenuwachtig aan me geeft, ze legt uit hoe de kraan werkt, reikt me een verbanddoos aan. Ik zeg dat verband niet nodig is, ik bedoel eigenlijk dat ik het niet kan hanteren. Mijn inschatting is dat de paniek van mama groter is dan de wond, maar wie ben ik, weet ik veel. Ik ben blij dat de ambulance is gebeld. Met natgemaakte servetjes vraag ik jongetje en mama of ik zijn gezicht schoon zal vegen. Dat is goed. “Hier zit nog bloed”, murmelt het jochie onder de theedoek vandaan en wijst op zijn arm. Mijn misschien ongepaste smelten kan ik niet helpen, wat een heerlijk ventje. De servetten verfrommelen in kleine natte deeltjes, ze zijn bij lange na niet opgewassen tegen alle bloedvlekken. Bij mama doe ik ook een poging, maar stop er weer mee. Ze zit onder. Servetjes helpen niet. “Dat wordt lekker douchen”, zeg ik nog en voel me ineens ontzettend knullig. Zit ik op mijn hurken zoetsappig met onnozele servetjes te vegen terwijl die knul half doodbloedt.

Gelukkig komt de ambulanceman binnen. Alle ruimte voor hem. Even praat hij met de twee, vraagt de kleine gewonde naar zijn naam en haalt dan de theedoek weg. Met een meelevende houding, twee lange dunne pleisters over een gaasje en het advies even langs de eerste hulp te gaan is het gepiept. Ik sta erbij en kijk ernaar. Het voorval is wel klaar, althans, mijn semi-overbodige rol erin. Ik wil weglopen maar weet niet hoe. Moet ik nog iets tegen ze zeggen? Wat dan? ‘Sterkte’ is te dramatisch, ‘tot ziens’ slaat nergens op. In het aarzelend voorbijlopen raak ik het jongetje nog even aan op zijn bezwete schouder en mompel iets. Geen reactie, het jochie kijkt voor zich uit en moeder is met heel andere dingen bezig. Zou best kunnen dat ze mijn knullige aanwezigheid vervelend vond.

Als ik terug naar de tafel loop, vraagt een man die aan de lunch zit met een vrouw of het ernstig was. “Nee hoor,” zeg ik, “het valt mee, maar mama is erg geschrokken van al het bloed.” De man kijkt me aan. “Het was mooi om te zien hoe je voor rust zorgde,” zegt hij. Hij verrast me. “Je bracht rust bij het jongetje. Je knielde bij hem neer, op ooghoogte. Hij stopte met huilen.” Dus deze mensen hebben het gebeuren gevolgd. Ik had het totaal niet in de gaten. “Ik zag het niet, hij zag het gebeuren”, verklaart de dame en wijst naar de man. Of ik soms een medische opleiding heb. Nee, wel een geestelijke opleiding. Ik spreek uit dat ik niet zo veel kon doen, niet meer dan er even voor ze zijn. “Je deed dat heel mooi,” zegt de man weer. Zijn vriendelijke gezicht drukt uit hoezeer hij het meent. “Ja, als een soort Florence Nightingale.” Een mengeling van vreugde, trots en dankbaarheid komt los door zijn woorden, het liefst wil ik even met mijn armen in de lucht gaan springen. Het wordt een dank voor het compliment.

Na een praatje over de discussie of kinderen beschermd of juist losjes opgevoed zouden moeten worden met als gevolg meer of minder risico op valpartijen zeg ik de twee mensen gedag en schuif weer aan mijn tafel. O ja, een broodje honing-geitenkaas. Tijdens de eerste hap loopt de ambulanceman naar zijn motor, de verbandtrommel in zijn hand; hij doet het doosje in de motortas, zwaait zijn been over de zitting en kijkt mijn kant op. Waarom precies zal ik nooit weten, maar we geven elkaar een royale glimlach.

6Jun/100

Spanning gezocht

Deze week ging de Maand van het Spannende Boek van start. Dat de literaire wereld de hele maand juni aandacht besteedt aan spannende boeken, zegt iets over de populariteit van het genre. Boekhandels liggen vol met thrillers, media publiceren recensies bij de vleet en in tenminste één op de tien huishoudens werd afgelopen jaar een Scandinavische thriller gelezen, meldt de website van het Spannende Boek. Stieg Larsson is inmiddels minstens zo bekend als Harry Mulisch.

Ik lees het niet. Niet omdat het niet goed zou zijn, of omdat ik als vrouw Stieg Larsson haat. Het ligt aan iets anders. Op de website van de gerenommeerde Haarlemse boekhandel De Vries tref ik meer dan twintig rubrieken aan; mijn aandacht gaat eerder uit naar filosofie, mens en maatschappij, psychologie. Ieder zijn voorkeur natuurlijk, misschien klikt u liever op de informaticaboeken, of op de strips.

Voorbij de persoonlijke voorkeur blijf ik toch met de vraag zitten: waarom grijpen we massaal naar thrillers? Wat beweegt ons tot het kopen van al die “Spannende Boeken”? Zoals de meeste verhalen bedoeld zijn om mensen te raken, zullen thrillers geschreven worden om gevoelens van angst, schrik, afgrijzen en – nogal wiedes -  spanning op te roepen. Het draait om specifieke belevingen. Voor een goed plot kunnen we immers bij de literatuur terecht en ontspanning is net zo makkelijk in andere genres te vinden.

Thrillers lezen ten behoeve van de nodige spanning. En dat ter ontspanning. Om me heen zie ik een samenleving vol met mensen die in een hoog tempo leven, hard werken, van alles tegelijk aanpakken, uitdagingen aangaan, bij tijd en wijle op hun tenen lopen. Mensen die binnen en buiten een overdaad aan prikkels op zich afgevuurd krijgen, die proberen de megalomane informatiestroom te verwerken en de laatste ontwikkelingen bij te houden, zo snel mogelijk, om weer door naar het volgende te kunnen, iedere dag weer.

Als dat geen flinke dosis angst en spanning oplevert. Mij in ieder geval wel, ik heb er meer dan genoeg aan. Liever dan bij de als motto van de maand verkochte ‘Mørd en Dødslag’ blijf ik bij de beleving van mijn eigen spanningen: afwisselend, levensecht, vaak gevolgd door een aangenaam soort ontspanning. En helaas voor de boekhandels, het is nog gratis ook.

11Apr/100

We noemen het welvaart

Slechts vijftig minuten duurde het, een reportage over vier Chinezen, uit alle windstreken van hun land, die hun recht op schone lucht, normaal drinkwater of vruchtbare aarde bevechten. Vier mensen die ieder op een eigen manier leven, maar alle vier in slechte condities, vervuiling en armoede. Ze zijn gewend aan hun dagelijks bestaan. Aan het inademen van gifdampen bij noordoostenwind, aan vis die naar benzine smaakt, aan het besproeien van een gortdroge akker in binnen-Mongolie. Vier mensen die verbeten blijven vechten voor hun leefomgeving, ook als hun pogingen bar weinig uithalen. Als individuen dapper en betrokken, doch weinig opgewassen tegen het immense, intimiderende overheidsapparaat. Gifdampen, benzinevis en verloren oogst blijven aan de orde van de dag.

Daar zit ik dan, op de bank, te kijken naar een kastje waar ver-van-mijn-warme-bed-ellende te zien is. Als het me niet aan staat, druk ik op een knopje en verdwijnt de ellende net zo makkelijk. Dan heb ik mijn tv-uurtje weer gehad. Ik schaam me voor onze doorgedraaide welvaart.

Wat is dit voor wereld, waarin wij met z’n allen schijnen te leven? Wat betekent het dat in Netwerk infobesitas in Nederland het belangrijkste onderwerp is? Hoe kan het dat de gemiddelde Nederlander zich druk maakt over of aan het einde van de maand nog wel een I-phone gekocht kan worden zonder dat de vakantie naar Cambodja daar onder te leiden heeft? Zich zorgen moet maken om zijn digitale identiteit, die via de raarste kanalen bestaat en, op het dwangmatige af, om de paar minuten bijgewerkt moet worden?

Dat tegelijkertijd die vier Chinezen, waar er in de realiteit miljoenen van bestaan, leven, werken, ademen, iedere dag weer - om nog te zwijgen van de Gambianen, Russen, Bolivianen, Koreanen, Mexicanen, Vietnamezen - zich dagelijks bezighouden met of ze kunnen ademen, wat nota bene afhangt van de windrichting, of met het bij elkaar rapen van een maaltijd, met het zoeken naar een stukje stof waar mogelijk warmte aan te ontlenen valt?

Tagged as: , No Comments