Recept tegen impotentie
Kiezen tussen leverworst en pindakaas. Of toch liever bruine suiker. Dierenverzorger wil ik worden, directeur van een natuurmuseum, schrijver, fotograaf, trainer en waarzegger, al is profbadmintonner zijn waarschijnlijk het allerleukst.
Mogelijkheden. Ze zijn er altijd, overal, eindeloos. Dat is erger dan u denkt. Zo veel mogelijkheden als er buiten u rondwaren, zo veel zijn er ook nog eens innerlijk. Eén brok mogelijkheid, dat bent u. We kunnen alles denken, alles voelen, alles vinden, roepen, ontwikkelen, worden. Voor mij is er zo eindeloos veel mogelijk, dat ik er soms last van heb. Velen schijnen er naarstig naar op zoek te zijn, maar als je het mij vraagt: te veel potentie is heus niet alles.
Het bezorgt me regelmatig een knagend gevoel van tijdsdruk en ik zal zeggen hoe dat komt. Hetgeen alle mogelijkheden in zich heeft, het universum, speelt vals. Met behulp van mijn moeder wierp ze mij de wereld in, gaf me verstand mee, om dat vervolgens in te prenten dat ik binnen afzienbare tijd weer verdwijn. ‘Alsjeblieft, hier is je leven. Je hersens zijn je gegeven om keuzes te maken, briljante gedachten te produceren en vooral om je te realiseren dat je zo goed als meteen weer dood gaat. Verder mag je het lekker uitzoeken, in het besef van zinloosheid, tenzij jij je zin zelf in elkaar knutselt gedurende die paar jaar dat je leeft. Geluk ermee.’ En dan zelf doodgemoedereerd voortbestaan, alsof er niets aan de hand is als ik de pijp uit ben.
Zie maar eens oneindig veel mogelijkheden in een paar jaar te proppen. Mij lukt het niet. Maar goed. Heeft het universum mij dat soms ook ingeprent, dat het nodig is om alle mogelijkheden daadwerkelijk te leven? Dat ik het gewenste geluk vind door dierenverzorger, directeur, schrijver, fotograaf, trainer, waarzegger, badmintonner en de rest te worden? Al probeer ik toch stiekem in mijn knutselwerkje een deel van het rijtje te verwezenlijken, het antwoord is nee.
Naar aanleiding van Pinksteren schreef publicist Jan Oegema afgelopen zaterdag in Trouw een prachtig artikel over de Heilige Geest. Hij vat haar op als ‘open geest’, als entiteit die staat voor veranderlijkheid, openheid en zachtheid, een kracht die onze zekerheden voortdurend ontwricht: ‘Ze wil dat we wendbaar blijven en begrijpen dat we voor niets zo bang zijn als voor de onbepaaldheid van ons oorspronkelijke wezen, waarin we leegte zijn, dat wil zeggen: mogelijkheid, een hij en een zij tegelijk, naamloos en vrij.’
Dat is wat het universum mij inprent. Ik wil wendbaar blijven, want ik ben mogelijkheid, naamloos en vrij. En al ben ik er intens bang voor, ten diepste verlang ik naar haar.
Lullen en poetsen anno 2010
Niet lullen, maar poetsen. Steeds vaker zeg ik het tegen mezelf en nu vraag ik me ineens af waar de gevatte uitdrukking betrekking op heeft. Niet lullen, dat begrijp ik nog wel. Al had niet praten netter geweest, het is in ieder geval duidelijke taal. Interessanter is het poetsen.
Ik zie de jaren vijftig voor me, in zwart-wit beeld, verzin het polygoongeluid erbij. Een typisch hoeksteengezin in Noord-Brabant. Man komt na een dag noeste arbeid thuis, hangt zijn lange jas en hoed aan de kapstok, ploft neer in zijn leesstoel met de krant die zijn vrouw hem aanreikt. Want ze weet dat hij dat het liefste doet, de krant lezen in zijn stoel. Zelf gaat ze op de bank zitten, de handen in de schoot gevouwen, en vertelt over de poes van de buurvrouw die vandaag alweer een dode merel op de deurmat heeft gelegd. “Ge moet niet lullen, maar poetsen”, onderbreekt de man haar nors, terwijl hij opzichtig de pagina omslaat.
Ik zit duidelijk in een poetsfase. Niet dat ik het boenen van de pot als liefste bezigheid heb of het noodzakelijk vind om iedere dag af te wassen. Nee, ik besef me hoe fundamenteel het dagelijkse handelen is. Het is prettig om overtuigd te zijn van zaken, om een mening te hebben over Geert Wilders en om te praten over het belang van duurzaamheid. Maar wat zijn overtuigingen, meningen en waarden werkelijk waard als ik ze niet praktiseer?
In het alledaagse leven blijkt het praatjes maken vaak makkelijk. Lees ik bijvoorbeeld de krant, die ik overigens mezelf aanreik, dan krijg ik al genoeg informatie en inspiratie om dagenlang te lullen. “Zoals die man schrijft, dat wil ik ook kunnen!”. In andere woorden, was het maar mijn leven, kon ik maar datgene doen wat een ander doet en laat. Had ik maar dit, ging ik maar dat. Het is zo makkelijk om eindeloos te zwetsen over wat we willen bereiken, wat we hadden gekund, wat we zouden moeten, hoe we het liefste zouden leven. Om het vervolgens niet te doen.
Ja, ik ging maar. Zoals gezegd verkeer ik in de poetsfase. Ik ga voor wat ik belangrijk vind, ik probeer zo veel mogelijk te leven naar mijn eigen wensen en gehoor te geven aan wat ik als mooi en lekker beschouw, aan wat ik als mijn waarheid zie. Daarmee ben ik geen modelburger, geen held en geen übermens. Wel ben ik, door te handelen naar wat ik als waardevol beschouw, doorgaans heel gelukkig. Zoals ook de filosoof Charles Taylor zegt: hoe meer je als mens doorleeft wat je als ultiem waardevol beschouwt, hoe groter de kans op ervaringen van zin.
Overigens wil ik anno 2010 wel een wijziging doorvoeren. Want dat ik het poetsen ontdekt heb, betekent niet dat ik niet meer lul. Sterker, laten we vooral tegen onszelf en met elkaar blijven praten, opdat we boven tafel krijgen hoe we zouden kunnen, moeten en willen handelen. Ge moet zowel lullen als poetsen.
Ik denk niet meer, dus ik ben niet meer?
“Een kamer vol wezenloze oude mensen, zonder vreugde in het bestaan, bijna zonder bewustzijn, schimmen van vroeger: het is geen aantrekkelijk vooruitzicht om daar de laatste levensdagen te slijten.”
Heleen Dupuis, ethica en ex-voorzitter van de Nederlandse Vereniging Voor Euthanasie, ziet het niet zitten om later in een verpleegtehuis terecht te komen als ze eenmaal oud en aan het einde van haar leven is.
Wie ziet dat wel zitten? Dat is ook de vraag die in het verlengde ligt van het betoog van Trouw-hoofdredacteur Gerbert van Loenen, vandaag in diezelfde krant. Hij stelt dat we moeilijk voor een ander kunnen bepalen wat voor diegene nog menswaardig is en de moeite waard om te leven. Het deze week verschenen boek “Hij had beter dood kunnen zijn. Oordelen over andermans leven” schreef hij op basis van persoonlijke ervaring; zijn partner viel een hersenaandoening ten deel en leefde tien jaar in zeer moeilijke omstandigheden alvorens hij stierf aan een hersentumor.
Volgens Van Loenen geeft Dupuis in 1994 de volgende opvatting: "Het leven van een persoon ontleent zijn waarde boven alles aan het feit dat de individuele drager van dat leven zich van die waarde bewust is. Het verbod om te doden of te laten sterven (in medische context) betreft dan ook allereerst dat leven, dat door de persoon zelf op prijs wordt gesteld." Van Loenen haalt onder meer de opvattingen van Dupuis aan om te laten zien hoe gevaarlijk het is om op basis van het eigen mensbeeld over het leven en sterven van een ander te oordelen. Wie mens- en levenswaardigheid ophangt aan zelfstandig en volbewust leven, denken en handelen, sluit al snel mensen buiten die niet voldoen aan dit ideale mensbeeld. “Zo kunnen een idealistisch mensbeeld, goede zorg en een mensenbedreigende praktijk samengaan”, besluit Van Loenen.
Hij wijst terecht op de gevolgen van de eigen levensbeschouwing op het denken over de ander. Gezien de uitspraak van Dupuis ziet ze een verpleegtehuis voor zich als een oord waar mensen geen mensen meer zijn, waar je, als je er eenmaal in bent beland, de rest van je ademtocht wezenloos verdoet. Waar je je niet bewust meer bent van de waarde van je leven.
Ik vraag me af of Dupuis beseft wat het betekent om ademende, ervarende mensen wezenloosheid toe te schrijven, zonder vreugde in het bestaan; een vorm van projectie? Het lijkt me zinvol om mevrouw Dupuis een dagje mee te laten lopen met een geestelijk verzorger. Laat haar participeren in een viering of bijeenkomst. Ze zal ervaren dat de zogenaamde levenlozen bij het horen van muziek, het onderlinge contact of andere ontmoetingsvormen duidelijke en ontroerende tekens van vreugde, van leven en van waardigheid geven.
In de denkbeelden van Dupuis, alsook in het betoog van Van Loenen wordt eens temeer duidelijk hoezeer de ratio waar we allemaal mee opgescheept zitten, ijkpunt is voor het oordeel over menselijkheid. Bewuste keuzes maken, zelfstandig en actief het leven vorm geven, uit eigen wil handelen; het is kenmerkend voor de mens. Zijn we dan geen mensen meer als deze functies, die we zo’n dominante plaats hebben toebedacht, een bescheidener plek in het leven innemen? Is Descartes zo gek nog niet geweest; ik denk niet meer, dus ik ben niet meer?
Het lijkt me een doodlopende weg om met behulp van hoogstaande denkbeelden te bepalen wat menswaardig is en wat niet, om vaste patronen te willen ontdekken in wanneer iemand nog meetelt en wanneer we iemand kunnen afschrijven. Ratio immers weer troef. Laat liever de arts, de ethicus en de filosoof vaker stil staan bij het gegeven dat we als mens ook lijden, onmachtig zijn, tekort schieten, imperfect zijn. Dat we niet alleen in een verpleegtehuis eindigen, maar ook ongeneeslijk ziek zijn, de weg kwijt raken, met lichamelijke en geestelijke beperkingen op de wereld komen, aangereden worden, blijvend invalide raken. Wie voelt werkelijk in dat een dergelijk lot niet alleen de ander betreft, maar ook zichzelf kan treffen, aan het einde van het leven, volgend jaar of vandaag nog?
Ik sluit me aan bij Van Loenen; pas op voor hooggestemde idealen. Ze kunnen hopeloos achterblijven bij de weerbarstigheid van het menselijk leven. Iedereen, dus ook mevrouw Dupuis, zal daarmee moeten leven.