Ilse Vooren

Fotografie & Zingeving

19Sep/110

Aan en uit op de Wallen

De opdracht waar ik gistermiddag mee op pad ging: een beeld maken waarin verschillende morele kaders zichtbaar zijn. Ik zag het al voor me. Links in beeld de Oude Kerk in Amsterdam, toonbeeld van geloof, inkeer en zeden, daarnaast lallende toeristen in het helrode licht van de Wallen – welkom in de Nederlandse samenleving.

Fotograferen betekent voor mij dat ik waarneem. Niet alleen door te zien, maar met al mijn zintuigen. Ik probeer me in te leven in wat ik zie, in wat er gebeurt, in de dingen om me heen. Ontvankelijk zijn voor indrukken, ik noem het 'aan' staan.

Na twee verkennende rondjes om de kerk vat ik de moed om vlak naast de roodverlichte ramen te knielen, heel hard te doen alsof het me alleen om de kerk gaat en een geschikte compositie te zoeken; wel met rode lichten, maar zonder personen. Ondertussen dienen mijn eigen morele kaders zich aan. Vinden de dames dit irritant, zo’n camera in de buurt? Kan ik dit wel maken? Een van hen bonkt hard op het raam. Even de gedachte dat het aan mijn adres gericht is, tot een groepje mannen door mijn kader loopt. O ja. Zo werkt dat hier.

No pictures, no pictures”, roept een man achter mij. Ik schrik maar laat me niet uit het veld slaan, zeker niet als ik zie dat hij zo stoned als een garnaal is. Hij blijft roepen. Ik vrees voor mijn camera en loop toch maar een eindje om, in de hoop terug te kunnen keren als de garnaal uit het zicht is. Hij blijkt achter me aan te lopen. Ineens realiseer ik me dat het laptopvak in mijn rugtas zo leeggehaald kan zijn. Voor de zekerheid draai ik mijn tas naar voren.

Na een paar ogenblikken mag de garnaal weg zijn, het ongemak neemt toe. Een jonge vrouw loopt met veel te dure spullen beelden te maken in de hoerenbuurt met allerlei onberekenbare luitjes om zich heen. Eerst maar even stilstaan op de hoek van de Warmoesstraat. Hordes luidruchtige jongemannen, Engelse bierbuiken en puik opgesmukte dames trekken voorbij. Een Britse vrouw schreeuwt huilend in haar telefoon. Neonreclames vechten elkaar de tent uit. Moreel zat, maar niet het beeld dat ik zoek. Rechtsaf een straat in, opnieuw de Wallen op. In de deuropening van een half geblindeerd pand schreeuwt een duister figuur in zwart pak naar iedereen die het horen wil dat de live-show begint. Wie gaan in hemelsnaam die tent binnen? Doet die kerel dit de hele dag? Wat voor tafereel zou ik aantreffen?

De vragen en indrukken stapelen zich op. In wat voor Nederlandse B-film ben ik beland? Een stel Vlaamse vrouwen van middelbare leeftijd wijst lachend dingen aan in een etalage die mijn netvlies dreigt te beschadigen als ik er te lang naar kijk. Ik zie een meisje van een jaar of vijf door een man en vrouw aan haar arm meegetrokken worden. Half lopend en half tegenstribbelend houdt het kind haar ogen dicht. Gelijk heeft ze. Ineens walg ik van dit neonverlichte, spuuglelijke poppentheater, een treurig oord waar het gros van de mensen zich enorm lijkt te vermaken. Ik walg van de twee onverzorgde, tweelingbroerachtige mannetjes die ik grinnikend uit een rode kamer zie stappen, van de hordes kauwende, slurpende, herrieschoppende toeristen, van het Amerikaanse stel in verwassen spijkerjack met McDonaldspetten op, van de eindeloze kilo’s rubber, plastic en chemisch verontreinigd junkvoedsel om me heen.

Ondertussen barst de zoveelste regenbui los. Dit is het teken dat ik vandaag niet meer hoef te fotograferen. Onder een afdak sta ik, als de regen ophoudt blijf ik staan en ik kan niets anders dan kijken naar de menssoorten die voorbij trekken. Ik voel me een vreemd soort mens, een tot halt gebracht waarnemend wezen waarin alle vormen van morele kaders door elkaar heen druilen. Na een half uur breng ik mezelf weer in beweging, richting station en richting mijn bank, waar ik de hele avond op wil hangen. In de 'uit'-stand.