Berichtje aan de dood 2
Beste dood,
Het is alweer een jaar geleden dat ik je een bericht stuurde. Mocht je me gevolgd hebben dan weet je dat ik een andere baan heb, dat het bevalt aan de academie en dat ik van alles beleef. Die dingen houden me nogal bezig, maar ondertussen ben je nooit helemaal uit mijn aandacht verdwenen.
Je hebt niet geantwoord. Dat had ik trouwens ook niet verwacht en het hoeft ook niet, ik wil je alleen laten weten dat ik je niet ben vergeten. Nu durf ik niet goed te zeggen waarom je steeds in mijn aandacht terugkeert, want misschien brengt het je op rare ideeën. Maar goed.
Weet je, ik vraag me af wie jij bent. Ik zou je best beter willen leren kennen. Iedereen kent je naam en je verschijning, maar niemand lijkt te weten wat er achter jouw masker schuilt. Ik weet zeker dat er achter je naam een hele wereld verborgen ligt, net zoals achter de naam God, Rijksmuseum of die van mijn nichtje. Is er ooit iemand geweest die jou werkelijk heeft gezien?
En dan nog iets. Dat vind ik nog enger om te zeggen, maar ik vertrouw erop dat je mij in mijn waarde laat. Op sommige momenten, zoals nu, lijkt het me best fijn om in jouw wereld te zijn. Jij bent zo anders dan de meeste anderen. Ik ken je niet goed maar jouw wereld lijkt oneindig groot, zonder grenzen, een wereld waarin je rond kan vliegen dat het een lieve lust is, in alle vrijheid en samen met alles. En dat terwijl de wereld van mij en de meeste anderen zo beperkt is, ook al zijn we nog zo openhartig of ruimdenkend. We blijven gevangen in ons lichaam, in ons hoofd, in de aardse beslommeringen. Tenminste, ik wel, ik heb daar regelmatig last van.
Ik voel me nu en dan gevangene in mijn eigen leven. Alsof ik opgesloten zit in een ruimte, een ruimte die niet eens onprettig is, alleen ze heeft haar grenzen. Kijk ik door het raam dan zie ik het universum, licht en eindeloos uitgestrekt, ik zou daar wel heen willen - dat kan dus niet. De ervaring in een beperkte ruimte te zitten, niet eindeloos licht te kunnen rondzweven maakt me eerlijk gezegd verdrietig.
Daar lijk jij geen last van te hebben, dat je je opgesloten voelt, afgesneden. Ik zou er wel eens met je over willen praten, maar het is nogal ingewikkeld allemaal. In ieder geval heb ik het aan je verteld, dat vind ik al heel wat.
Misschien tot een volgende keer, Ilse
Over alleen zijn
Lieve zelf,
ook al had ik me voorgenomen het niet te doen, zojuist heb ik toch de laatste stroopwafel opgegeten in de hoop dat het zou helpen. Soms komt het op, zonder dat ik er grip op heb, een gevoel van ongeborgenheid, kilte. Misschien heeft het met het sombere weer te maken – voor een augustusdag veel te nat en grijs naar mijn zin – dat ik me alleen voel, hardnekkig, onwrikbaar alleen.
Even naar de supermarkt lopen om yoghurt te halen, dat zou me goed doen bedacht ik in de loop van de avond. Lekker naar buiten, frisse lucht inademen, bewegen. Tijdens het wandelingetje langs het water kwam ik je tegen. Precies dit maakt me zo mismoedig: met jou moet ik het doen. Niemand anders kan mij de geborgenheid geven die ik zoek. Niemand is zo dichtbij als jij. Pa en ma zijn het niet meer, mijn liefste vrienden zijn het ook niet. Niet degene waar ik onbedoeld zo hard naar op zoek ben, hij die mij weg kan laten kruipen, die mij in zijn armen vasthoudt, open staat voor mijn sprongen in het duister. Die mij liefheeft zoals ik hem liefheb. Hij in de vorm van Hij is er niet. Bestaat niet. Mooie mensen, al dan niet mijn verlangens weerspiegelend, die bestaan wel. Ik voel me alleen en mis Hij die er niet is.
Wat moet ik nou met jou. Jij blijkt Hij te zijn. Jij bent het die er al was toen ik als baby in de couveuse lag, bij de peuter die de krant aandachtig bekeek. Jij was het die op het Murmellius rondbanjerde in groene broek en WSVA-trui, die uren op een badmintonbaan doorbracht. De UvH heb jij zo nabij meegemaakt als maar kan. En zo ook de rest van mijn 27-jarige leven.
Al die mensen die ik heb ontmoet, de mensen die ik als naasten zie, ze zijn nabij, soms zeer nabij, maar kunnen dat lang niet zijn zoals jij. Zelfs de Belangrijke Anderen zijn dat niet, gaan het niet worden, hoe verbonden ik me ook weet.
Met jou moet ik het doen. Nu, terwijl de regen in de dakgoot klettert, morgen in de spitstrein naar Amsterdam, volgend jaar dezelfde tijd. Misschien dat ik weet wat ik met je moet. Je koesteren. Je liefhebben zoals je mij liefhebt, tot in mijn laatste ogenblik. Het klinkt pathetisch. Maar tot en met dat moment zal jij nabij zijn.
Spanning gezocht
Deze week ging de Maand van het Spannende Boek van start. Dat de literaire wereld de hele maand juni aandacht besteedt aan spannende boeken, zegt iets over de populariteit van het genre. Boekhandels liggen vol met thrillers, media publiceren recensies bij de vleet en in tenminste één op de tien huishoudens werd afgelopen jaar een Scandinavische thriller gelezen, meldt de website van het Spannende Boek. Stieg Larsson is inmiddels minstens zo bekend als Harry Mulisch.
Ik lees het niet. Niet omdat het niet goed zou zijn, of omdat ik als vrouw Stieg Larsson haat. Het ligt aan iets anders. Op de website van de gerenommeerde Haarlemse boekhandel De Vries tref ik meer dan twintig rubrieken aan; mijn aandacht gaat eerder uit naar filosofie, mens en maatschappij, psychologie. Ieder zijn voorkeur natuurlijk, misschien klikt u liever op de informaticaboeken, of op de strips.
Voorbij de persoonlijke voorkeur blijf ik toch met de vraag zitten: waarom grijpen we massaal naar thrillers? Wat beweegt ons tot het kopen van al die “Spannende Boeken”? Zoals de meeste verhalen bedoeld zijn om mensen te raken, zullen thrillers geschreven worden om gevoelens van angst, schrik, afgrijzen en – nogal wiedes - spanning op te roepen. Het draait om specifieke belevingen. Voor een goed plot kunnen we immers bij de literatuur terecht en ontspanning is net zo makkelijk in andere genres te vinden.
Thrillers lezen ten behoeve van de nodige spanning. En dat ter ontspanning. Om me heen zie ik een samenleving vol met mensen die in een hoog tempo leven, hard werken, van alles tegelijk aanpakken, uitdagingen aangaan, bij tijd en wijle op hun tenen lopen. Mensen die binnen en buiten een overdaad aan prikkels op zich afgevuurd krijgen, die proberen de megalomane informatiestroom te verwerken en de laatste ontwikkelingen bij te houden, zo snel mogelijk, om weer door naar het volgende te kunnen, iedere dag weer.
Als dat geen flinke dosis angst en spanning oplevert. Mij in ieder geval wel, ik heb er meer dan genoeg aan. Liever dan bij de als motto van de maand verkochte ‘Mørd en Dødslag’ blijf ik bij de beleving van mijn eigen spanningen: afwisselend, levensecht, vaak gevolgd door een aangenaam soort ontspanning. En helaas voor de boekhandels, het is nog gratis ook.