Servetjes helpen niet
Net nu ik zo’n beetje het bestelde broodje honing-geitenkaas verwacht hoor ik het luidkeels schreeuwen van een jongetje. Ik kijk naar links en zie hoe een vrouw op hem afrent en naar zijn voorhoofd grijpt, vervolgens haastig van het speelveldje naar de ingang van het terras strompelt, de jongen ondertussen onhandig bij zijn hoofd vasthoudend. “Bel de ambulance, het ziet er ernstig uit”, roept ze verwilderd. Mensen kijken op, de man aan de tafel achter mij loopt hen direct achterna, naar binnen, telefoon in de hand. Intuïtief grijp ik ook mijn telefoon en ga het museumcafé binnen, met kloppend hart en het besef dat ik waardevolle spullen op het terras achterlaat.
Mama is gaan zitten, trekt haar zoon op schoot en drukt een theedoek stevig tegen zijn gezicht. “Het stopt niet met bloeden, ik weet niet of het ernstig is maar het puilt eruit.” Ze is aardig in paniek. Het gehuil van het blonde jongetje van een jaar of vijf wordt gesmoord door de theedoek voor zijn gezicht. Ik hurk naast hem neer en duw het ding voorzichtig voor zijn neus weg. “Kan je nog een beetje ademhalen?” Om te laten merken van wel snuift hij nadrukkelijk. De twee meisjes van de bediening drentelen eromheen. Of hij een ijsje wil? Ja, dat wil hij wel.
Nog steeds gehurkt zit ik naast mama en zoon. Ik wil behulpzaam zijn maar voel me vooral onthand. Ik heb niet de moed om verband om zijn hoofd te leggen, ik weet niet wat voor wond het is, laat staan wat er aan gedaan moet worden. In een poging toch wat nuttigs te doen vraag ik servetjes aan de serveerster zodat ik het gezicht van het jongetje schoon kan maken, die ze zenuwachtig aan me geeft, ze legt uit hoe de kraan werkt, reikt me een verbanddoos aan. Ik zeg dat verband niet nodig is, ik bedoel eigenlijk dat ik het niet kan hanteren. Mijn inschatting is dat de paniek van mama groter is dan de wond, maar wie ben ik, weet ik veel. Ik ben blij dat de ambulance is gebeld. Met natgemaakte servetjes vraag ik jongetje en mama of ik zijn gezicht schoon zal vegen. Dat is goed. “Hier zit nog bloed”, murmelt het jochie onder de theedoek vandaan en wijst op zijn arm. Mijn misschien ongepaste smelten kan ik niet helpen, wat een heerlijk ventje. De servetten verfrommelen in kleine natte deeltjes, ze zijn bij lange na niet opgewassen tegen alle bloedvlekken. Bij mama doe ik ook een poging, maar stop er weer mee. Ze zit onder. Servetjes helpen niet. “Dat wordt lekker douchen”, zeg ik nog en voel me ineens ontzettend knullig. Zit ik op mijn hurken zoetsappig met onnozele servetjes te vegen terwijl die knul half doodbloedt.
Gelukkig komt de ambulanceman binnen. Alle ruimte voor hem. Even praat hij met de twee, vraagt de kleine gewonde naar zijn naam en haalt dan de theedoek weg. Met een meelevende houding, twee lange dunne pleisters over een gaasje en het advies even langs de eerste hulp te gaan is het gepiept. Ik sta erbij en kijk ernaar. Het voorval is wel klaar, althans, mijn semi-overbodige rol erin. Ik wil weglopen maar weet niet hoe. Moet ik nog iets tegen ze zeggen? Wat dan? ‘Sterkte’ is te dramatisch, ‘tot ziens’ slaat nergens op. In het aarzelend voorbijlopen raak ik het jongetje nog even aan op zijn bezwete schouder en mompel iets. Geen reactie, het jochie kijkt voor zich uit en moeder is met heel andere dingen bezig. Zou best kunnen dat ze mijn knullige aanwezigheid vervelend vond.
Als ik terug naar de tafel loop, vraagt een man die aan de lunch zit met een vrouw of het ernstig was. “Nee hoor,” zeg ik, “het valt mee, maar mama is erg geschrokken van al het bloed.” De man kijkt me aan. “Het was mooi om te zien hoe je voor rust zorgde,” zegt hij. Hij verrast me. “Je bracht rust bij het jongetje. Je knielde bij hem neer, op ooghoogte. Hij stopte met huilen.” Dus deze mensen hebben het gebeuren gevolgd. Ik had het totaal niet in de gaten. “Ik zag het niet, hij zag het gebeuren”, verklaart de dame en wijst naar de man. Of ik soms een medische opleiding heb. Nee, wel een geestelijke opleiding. Ik spreek uit dat ik niet zo veel kon doen, niet meer dan er even voor ze zijn. “Je deed dat heel mooi,” zegt de man weer. Zijn vriendelijke gezicht drukt uit hoezeer hij het meent. “Ja, als een soort Florence Nightingale.” Een mengeling van vreugde, trots en dankbaarheid komt los door zijn woorden, het liefst wil ik even met mijn armen in de lucht gaan springen. Het wordt een dank voor het compliment.
Na een praatje over de discussie of kinderen beschermd of juist losjes opgevoed zouden moeten worden met als gevolg meer of minder risico op valpartijen zeg ik de twee mensen gedag en schuif weer aan mijn tafel. O ja, een broodje honing-geitenkaas. Tijdens de eerste hap loopt de ambulanceman naar zijn motor, de verbandtrommel in zijn hand; hij doet het doosje in de motortas, zwaait zijn been over de zitting en kijkt mijn kant op. Waarom precies zal ik nooit weten, maar we geven elkaar een royale glimlach.